Riesenschnauzers

De rasstandaard van de Riesenschnauzer
Land van oorsprong : Duitsland
Datum van publikatie originele standaard: 06-03-2007

Gebruik: Gebruiks- en begeleidingshond

F.C.I. Classificatie: Groep 2  Pinschers, Schnauzers, Molossers en Zwitserse Sennenhonden. Sectie 1   Pinschers en Schnauzers.

Met werkproeven.
Kort historisch overzicht : Oorspronkelijk gebruikte men de riesenschnauzer in het zuiden van Duitsland als veedrijver. Rond het jaar 1900 herkenden doelbewuste fokkers dat hij aanleg heeft om buitengewone prestaties te leveren en hoogst waardevolle karaktereigenschappen bezit.  Sinds 1913 is hij opgenomen in het stamboek en reeds in 1925 krijgt hij de officiële erkenning als diensthond.

Algemeen voorkomen :  Groot, sterk, eerder gedrongen dan slank, ruwharig, de grotere en krachtiger versie van de schnauzer : een trotse, weerbare hond met een respect afdwingend uiterlijk.

Belangrijke verhoudingen :
Vierkante bouw, waarbij de verhouding lichaamslengte/schofthoogte ongeveer gelijk is.
De totale lengte van het hoofd (neuspunt tot achterhoofdsknobbel) verhoudt zich ten opzichte van de lengte van de rug (schoft tot staartaanzet) als 1 : 2.

Gedrag/karakter:Typische gedragskenmerken zijn het goedaardige, evenwichtige karakter en zijn onomkoopbare trouw aan zijn baas.
Hij bezit sterk ontwikkelde zintuigen, schranderheid, geschiktheid om te worden afgericht, kracht, uithoudingsvermogen, snelheid en weerstandsvermogen tegen slecht weer en ziektes.  Door zijn aangeboren belastbaarheid en zelfverzekerdheid is hij zeer geschikt als begeleidings-, sport-, gebruiks- en diensthond.

Hoofd:
Schedel : Is krachtig en langgestrekt, zonder sterk afgetekende achterhoofdsknobbel.  Het hoofd moet bij de substantie van de hond passen.  Het voorhoofd is vlak en verloopt zonder rimpels parallel ten opzichte van de neusrug.
Stop : Wordt door de wenkbrauwen duidelijk benadrukt.
Neus: De neusspiegel is goed gevormd met grote neusgaten en altijd zwart.
Voorsnuit : Eindigt in een afgestompte wig.  De neusrug is recht.
Lippen : Zwart, strak en glad aanliggend aan de kaken, mondhoek gesloten.Kaken/Gebit: Krachtige boven- en onderkaak.  Het volledige schaargebit (42 elementen gelijk aan gebitsformule) is krachtig ontwikkeld, goed sluitend en zuiver wit.  De kauwspieren zijn krachtig ontwikkeld, maar mogen niet zo sterk tonen, dat de bakken de rechthoekige hoofdvorm (met baard) verstoren.
Ogen : Middelgroot, ovaal, naar voren gericht, donker, met levendige uitdrukking, oogleden goed gesloten.
Oren : Hangoren, hoog aangezet, V-vormig, de binnenkant tegen de wangen aanliggend, gelijkmatig en naar voren in de richting van de slapen gedragen, waarbij de parallelle vouwen niet boven de schedel uit mogen komen.
Hals : De sterke gespierde nek heeft een naar boven verlopende welving.  De hals gaat harmonisch over in de schoft.  Krachtig geplaatst, slank, edel gebogen en bij de substantie van de hond passend.  De keelhuid ligt strak aan, zonder plooien.

Lichaam :

Bovenbelijning : Van de schoft naar achteren, licht hellend verlopend.
Schoft : Vormt het hoogste punt van de bovenbelijning.
Rug : Krachtig, kort en stevig.
Lendenen : Kort, krachtig en diep.  De afstand van de laatste rib tot aan de heup is kort, waardoor de hond een gedrongen verschijning heeft.
Bekken : Licht afgerond verlopend, onmerkbaar overgaand in de staartaanzet.
Borst : Matig breed, in doorsnee ovaal, tot de elleboogreikend.  De voorborst wordt door de borstbeenpunt duidelijk markant gevormd.
Onderbelijning en buik : Flanken niet overmatig opgetrokken, met de onderzijde van de borstkas een mooi gebogen lijn vormend.
Staart : Natuurlijke staart. Fokdoel is een sabel- of sikkelstaart.
Ledematen
Voorhand :
Algemeen : De voorbenen zijn van voren bezien, stevig, recht en niet nauw gesteld.  De onderarmen staan, van opzij bezien, recht.
Schouders : Het schouderblad ligt stevig tegen de ribbenkast aan, is aan beide kanten van de schouderbladkam goed gespierd en steekt boven de doornuitsteeksels van de borstwervels uit.  Zo schuin en goed teruggelegen als mogelijk bedraagt de hoek t.a.v. de horizontaal ongeveer 50°.
Opperarm : Goed tegen de romp aanliggend, krachtig en gespierd, hoek t.a.v. het schouderblad ongeveer 95 – 105°.
Ellebogen : Goed aanliggend, noch naar binnen, noch naar buiten uitdraaiend.
Onderarm : Van alle kanten bezien volledig recht, krachtig ontwikkeld en goed gespierd.
Polsgewricht : Krachtig, stabiel, slechts onmerkbaar van de structuur van de onderarm afwijkend.
Voormiddenvoet : Van voren bezien loodrecht, van opzij bezien iets schuin geplaatst, krachtig en licht verend.
Voeten : Kort en rond, tenen nauw tegen elkaar aanliggend en gewelfd (katvoet), met korte, donkere nagels en stevige voetzolen.
Achterhand :
Algemeen : Van opzij bezien schuin geplaatst, van achteren bezien parallel verlopend, niet nauw gesteld.
Bovenbeen : Matig lang, breed en krachtig gespierd.
Knie : Noch naar binnen noch naar buiten gedraaid.
Onderbeen : Lang en krachtig, pezig, overgaand in een krachtig spronggewricht.
Spronggewricht : Duidelijk gehoekt, krachtig, stabiel, noch naar binnen, noch naar buiten gericht.
Hak : Kort en loodrecht op de bodem staand.
Voeten : Tenen kort, gewelfd en nauw tegen elkaar aan liggend, nagels kort en zwart.
Gangwerk: Elastisch, elegant, wendbaar, vrij en uitgrijpend.  De voorbenen grijpen zover als mogelijk uit, de achterhand geeft ver uitgrijpend en verend de nodige stuwkracht.   Het voorbeen van de ene en het achterbeen van de andere zijde worden gelijktijdig naar voren geplaatst.  Rug, spierbanden en gewrichten zijn vast.
Huid : Nauw aansluitend aan het hele lichaam.
Vacht
Structuur:  Het haar moet draadachtig hard zijn en dicht ingeplant.  Het bestaat uit een dichte onderwol en in geen geval te kort, hard dekhaar, dat goed aanligt.  Het dekhaar is ruw, lang genoeg om de textuur aan te kunnen tonen en is noch ruig, noch golvend.
Het haar aan de benen heeft de neiging niet zo hard te zijn.  Op de schedel en aan de oren is het kort.  Als typisch kenmerk geldt een niet te zachte baard aan de voorsnuit en borstelige wenkbrauwen, die de ogen licht overschaduwen.

Kleur
Zuiver zwart met zwarte onderwol. Peper en zout.

Voor peper en zoutkleurig geldt als fokdoel een gemiddelde schakering van gelijkmatig over het lichaam verdeelde goed gepigmenteerde pepering en grijze onderwol.  Toegelaten zijn de kleurnuances van donker ijzergrauw tot zilvergrijs.  Bij alle kleurnuances behoort een donker masker, dat de uitdrukking accentueert en die in harmonie moet zijn met de te onderscheiden kleurslag.  Duidelijk lichte aftekeningen aan het hoofd, op de borst en aan de benen zijn ongewenst.

Grootte en gewicht
Schofthoogte :     Reuen en teven :  60 tot 70 cm.
Gewicht :            Reuen en teven :  35 tot 47kg.
Fouten : Iedere afwijking van de bovengenoemde punten moet als fout worden aangemerkt en de beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan tot de mate waarin de fout zich voordoet.
In bijzonder :
In het geheel te klein of te kort hoofd.  Zware of ronde schedel. Gerimpeld voorhoofd. Korte, spitse of smalle voorsnuit. Tanggebit. Te sterk ontwikkelde bakken of jukbeenderen. Lichte, te grote of te kleine ogen. Wammen, hertenhals. Te lange, opgetrokken of zwakke rug. Karperrug. Afvallende croupe. Naar het hoofd gekeerde staartaanzet. Lange voeten. Telgang. Te kort, te lang, zacht, golvend, ruig, zijdeachtig, wit, of vlekkerig haar.  Of andere kleurbijmengingen. Bruine onderwol. Bij de peper en zoutkleurige : aalstreep of zwart zadel. Boven- of ondermaat tot 2 cm.

Zware fouten :
Plompe of lichte, laaggestelde of hoogbenige bouw. Omgekeerd geslachtstype (b.v. reuachtige teef). Naar buiten gedraaide ellebogen. Steile of o-benige achterhand. Naar binnen gedraaid spronggewricht. Boven- of ondermaat van meer dan 2 cm en minder dan 4 cm.

Diskwalificerende fouten:
Misvormingen van welke aard ook. Gebrekkig type. Gebitsfouten zoals bovenvoorbeet, ondervoorbeet, ruisgebit. Grove fouten in de onderscheiden onderdelen als lichaamsfouten, vacht- of kleurfouten. Boven- of ondermaat van meer dan 4 cm. Schuw, agressief, boosaardig, overdreven wantrouwig, nerveus gedrag.

N.B. :   Reuen moeten duidelijk twee normaal ontwikkelde teelballen hebben, die geheel in het scrotum zijn ingedaald.